Een open overheid moet burgers dichter bij de politiek brengen, maar volgens onderzoeker Guillén Torres Sepulveda (Universiteit van Amsterdam) pakt dat niet voor iedereen zo uit. In zijn proefschrift The Datafying (Civil) Society: Fostering Citizen Agency Beyond Open Government laat hij zien dat data steeds meer een voorwaarde wordt om politiek gehoord te worden, wat de drempel voor burgers zonder datavaardigheden juist verhoogt.
Het idee voor het proefschrift ontstond vanuit de ervaring van Torres Sepulveda als informatie-activist in Mexico, waar hij een organisatie oprichtte die gemarginaliseerde gemeenschappen hielp meer invloed te krijgen op politieke besluiten die hun leven raakten. Ondanks duidelijke wetgeving over toegang tot publieke informatie kreeg hij bij het opvragen van data regelmatig te maken met afwijzingen of informatie van zo lage kwaliteit dat die nauwelijks bruikbaar was. Die ervaring bracht hem ertoe de rol van data in politieke participatie te onderzoeken.
Rond 2008 werd het concept van een open overheid populair: overheden zouden proactief informatie beschikbaar stellen zodat burgers die konden gebruiken om mee te beslissen. Die ontwikkeling ging volgens Torres Sepulveda gepaard met een verschuiving. Data werd niet alleen een middel om te participeren, maar steeds vaker ook een vereiste. Wie politiek actief wil zijn, wordt tegenwoordig geacht met cijfers te onderbouwen waarom de overheid iets zou moeten veranderen. Naast traditionele vormen van activisme, zoals demonstraties, krijgt zo een nieuwe vorm gewicht: data-activisme, waarbij burgers informatie verzamelen en analyseren om hun politieke argumenten kracht bij te zetten.
Die verschuiving brengt volgens Torres Sepulveda een nieuw probleem met zich mee. Niet iedereen kan even makkelijk gebruikmaken van data om gehoord te worden. Effectief deelnemen aan een steeds meer datagedreven politiek vraagt kennis van welke data bestaat, waar die te vinden is en hoe die te gebruiken is, vaardigheden die niet iedereen heeft. Dat roept een fundamentele vraag op over open overheid zelf: informatie kan voor iedereen beschikbaar zijn, maar dat betekent niet dat iedereen er ook iets mee kan. Open data biedt zo nieuwe mogelijkheden om invloed uit te oefenen, maar werpt tegelijk nieuwe drempels op.
Een van de redenen waarom data zo’n centrale plek in het politieke debat heeft gekregen, is het wijdverbreide geloof dat data objectief zou zijn. Cijfers en datasets worden vaak gezien als manier om feiten van meningen te onderscheiden, wat een argument neutraler en overtuigender laat overkomen. Torres Sepulveda plaatst daar kanttekeningen bij: data is nooit los te zien van politiek, omdat mensen bepalen wat er gemeten wordt, hoe iets wordt ingedeeld en welke conclusies daaruit worden getrokken. Door data als neutrale feiten te behandelen, raken de keuzes en aannames die erachter schuilgaan uit het zicht.
De discussie krijgt extra gewicht door de snelle opkomst van kunstmatige intelligentie, die volgens Torres Sepulveda voortbouwt op een ontwikkeling die al veel langer speelt: de groeiende rol van data in de samenleving. Om te functioneren heeft AI enorme hoeveelheden data nodig, terwijl vragen over wie die data verzamelt, wie er toegang tot heeft en wie er baat bij heeft nog altijd onbeantwoord zijn. Toch verschuift de aandacht al naar AI, voordat die eerdere vragen zijn opgelost, een patroon waarin het ene vraagstuk wordt ingehaald door het volgende zonder dat het eerste goed is uitgewerkt.