Door de snelle groei van AI breiden datacenters wereldwijd in hoog tempo uit. Dat heeft gevolgen voor energieverbruik en watergebruik, maar ook voor elektronisch afval. In nieuw onderzoek analyseert VU-datawetenschapper Alex de Vries-Gao hoeveel e-waste AI-servers richting 2030 kunnen veroorzaken.
In een studie gepubliceerd in Resources, Conservation and Recycling onderzoekt Alex de Vries-Gao de verwachte hoeveelheid elektronisch afval die samenhangt met de opmars van AI. Hij berekent dat AI-servers in 2030 jaarlijks tussen de 131 en 224,8 kiloton e-waste kunnen genereren. Dat is vergelijkbaar met de totale jaarlijkse hoeveelheid elektronisch afval van landen als Denemarken, Noorwegen of Oostenrijk.
De Vries-Gao bouwt voort op eerder onderzoek waarin hij de energie-, CO₂- en watervoetafdruk van AI in kaart bracht. Waar eerdere studies suggereerden dat AI-systemen tegen 2030 tot vijf miljoen ton e-waste zouden kunnen opleveren, komt hij nu tot een aanzienlijk lagere schatting.
Het verschil zit volgens hem in de aannames. In plaats van uit te gaan van onbeperkte groei, schatte hij hoeveel AI-servers daadwerkelijk geproduceerd kunnen worden op basis van beschikbare data en productiecapaciteit. Daarnaast blijkt de eerder veronderstelde levensduur van drie jaar waarschijnlijk te kort. In de praktijk blijven servers vermoedelijk langer in gebruik, waardoor de jaarlijkse afvalstroom lager uitvalt dan eerder voorspeld.
Dat de nieuwe schatting lager is dan eerdere ramingen, betekent volgens De Vries-Gao echter niet dat het probleem klein is. De absolute volumes blijven aanzienlijk. Daarom benadrukt hij het belang van langere gebruiksduur, hoogwaardige recycling en betere dataverzameling over hardwarevervanging en afvoer.
Volgens de onderzoeker dragen ook grote technologiebedrijven verantwoordelijkheid. Zonder meer transparantie over productie, gebruiksduur en afvoer van AI-hardware blijft het risico bestaan dat de werkelijke impact wordt onderschat.